In het ABC vind je afkortingen, begrippen en definities die we gebruiken in onze diensten en op de website. Handig wanneer een term je niet direct bekend voorkomt.
Ga direct naar:
0 - 9 │ A │ B │ C │ D │ E │ F │ G │ H │ I │ J │ K │ L │ M │ N │ O │ P │ Q │ R │ S │ T │ U │ V │ W │ X │ Y │ Z
Nieuw:
- Acceptatie
- Big data
- CDE
- Industriële revolutie
- Industrie 1.0 t/m 5.0
- Innovatie
- Internet of Things (IoT)
- Kunstmatige intelligentie (AI)
- Parameters
- Persoonlijk ontwikkelplan
- Projectdossier
- Projectplan
- Raming
- Randvoorwaarde
- Sollicitatie
2D: Tweedimensionaal geeft aan dat een tekening of weergave twee dimensies heeft: breedte en lengte. 2D wordt vooral gebruikt voor platte tekeningen en in CAD-applicaties.
3D: Driedimensionaal geeft aan dat een object of model drie dimensies heeft: breedte, lengte en hoogte. 3D wordt vooral gebruikt voor ontwerp, coördinatie en visualisatie.
4D: Koppeling van een 3D-model aan de factor tijd. Hierdoor kan het model worden verbonden met een planning, zodat fasering, bouwvolgorde en tijdsgebonden informatie inzichtelijk worden.
5D: Koppeling van een 3D-model aan de factor kosten. Modelinformatie, zoals hoeveelheden en objectinformatie, kan worden gebruikt ter ondersteuning van ramingen en calculaties voor het totale bouwwerk of onderdelen daarvan.
6D: Koppeling van een 3D-model aan duurzaamheid en gebouwprestaties. Hierdoor kunnen analyses worden ondersteund op het gebied van energie, klimaatcomfort, materiaalgebruik, windgedrag en daglichttoetreding. Door hier al in de ontwerpfase rekening mee te houden, kunnen prestaties worden verbeterd en kan het energiegebruik of de milieubelasting worden verminderd.
7D: Koppeling van een 3D-model aan informatie voor beheer en onderhoud. Denk hierbij aan assetinformatie, onderhoudsgegevens, garanties, handleidingen en informatie voor facilitair beheer. Door deze informatie vroegtijdig vast te leggen, kunnen knelpunten en onnodige kosten tijdens de gebruiksfase van het bouwwerk worden voorkomen.
360-gradenfeedback: Een feedbackmethode waarbij feedback over een persoon wordt verzameld vanuit meerdere perspectieven, zoals collega’s, leidinggevenden, teamleden en andere direct betrokkenen. Deze feedback wordt vaak aangevuld met een zelfevaluatie.
Aanbesteding: Een procedure waarbij een opdrachtgever een opdracht, werk of project in de markt zet en een of meer partijen uitnodigt om hiervoor een aanbieding of inschrijving te doen. Op basis van vooraf bepaalde eisen en criteria wordt vervolgens een opdrachtnemer geselecteerd.
Acceptatie: De formele bevestiging dat een product, dienst of projectresultaat voldoet aan de afgesproken eisen, criteria of verwachtingen. Acceptatie vindt meestal plaats door de opdrachtgever, gebruiker of een andere bevoegde partij.
Activiteit: Een afgebakende handeling of reeks werkzaamheden binnen een project die tijd, capaciteit of middelen vraagt en bijdraagt aan het realiseren van een resultaat.
Adviseren: Het geven van deskundig advies op basis van kennis, ervaring en inzicht. Adviseren helpt een persoon, team of organisatie om betere keuzes te maken, een vraagstuk op te lossen of verder te brengen. Adviseren wordt ook wel consultancy genoemd.
Adviseur: Een persoon die zijn of haar kennis, ervaring en inzicht inzet om anderen te helpen bij het maken van keuzes, het oplossen van vraagstukken of het verbeteren van een situatie.
Afbakening: Een omschrijving van wat niet tot de scope van het project behoort. Hierdoor worden de omvang en de grenzen van het project nauwkeurig bepaald.
Agenda: Een document waarin de onderwerpen, doelen en volgorde van een vergadering worden vastgelegd. Een agenda helpt deelnemers om zich voor te bereiden en de vergadering doelgericht te laten verlopen.
Agile: Een manier van denken, werken en organiseren die draait om wendbaarheid. Agile stelt organisaties en teams in staat om snel en effectief in te spelen op veranderingen. De term Agile betekent letterlijk wendbaar of behendig.
Algemene voorwaarden: Standaardafspraken of voorwaarden die onderdeel kunnen uitmaken van een contract of overeenkomst. In de Nederlandse bouwsector worden hiervoor vaak de UAV (Uniforme Administratieve Voorwaarden) of de UAV-GC (Uniforme Administratieve Voorwaarden voor Geïntegreerde Contractvormen) gebruikt.
APDRA: Een hulpmiddel om de inhoud van een project gestructureerd in kaart te brengen. De afkorting APDRA staat voor Achtergrond, Probleemstelling, Doelstelling, Resultaat en Afbakening.
Architect: Een persoon die het ontwerp van een bouwwerk maakt en visualiseert, bijvoorbeeld op 2D-tekeningen en/of in 3D. De architect kan daarnaast de technische en administratieve uitwerking van het ontwerp begeleiden.
Aspectmodel: Een disciplinegericht BIM-model, bijvoorbeeld bouwkundig, constructief of installatietechnisch. Het aspectmodel wordt door een projectpartner opgesteld in het eigen native-bestandsformaat en kan voor afstemming of uitwisseling worden gedeeld als IFC. Iedere projectpartner is verantwoordelijk voor het eigen aspectmodel en de bijbehorende output en eindproducten.
Assessment: Een verzameling van meetmethoden om de eigenschappen, competenties en geschiktheid van een kandidaat of medewerker te beoordelen in relatie tot een bepaalde functie of rol. Voorbeelden van meetmethoden zijn vragenlijsten, interviews, praktijksituaties en rollenspellen.
Autodesk Revit: BIM-software van Autodesk voor het maken van parametrische modellen. Met Revit kunnen 3D-modellen worden opgebouwd en daaruit kunnen onder andere 2D-tekeningen, overzichten en modelinformatie worden gegenereerd. Het native-bestandsformaat van een Revit-model heeft de bestandsextensie .rvt.
BCF: Een open standaard voor communicatie over BIM-modellen. Met BCF kunnen opmerkingen, vragen, issues en afbeeldingen worden gekoppeld aan specifieke onderdelen of locaties in een BIM-model. Hierdoor kunnen betrokken partijen modelproblemen bespreken zonder het volledige modelbestand uit te wisselen. De afkorting BCF staat voor BIM Collaboration Format.
Beheersaspect: Een onderdeel waarop een project wordt gestuurd en bewaakt, zoals geld, organisatie, tijd, informatie en kwaliteit. Beheersaspecten helpen om grip te houden op de uitvoering, voortgang en besluitvorming binnen een project.
Belanghebbende: Een persoon of groep die belang heeft bij, invloed heeft op of invloed ondervindt van een organisatie, project, besluit of resultaat. Een belanghebbende wordt ook wel stakeholder genoemd.
Bereidwilligheid: De mate waarin iemand gemotiveerd, zelfverzekerd en toegewijd is om een specifieke taak uit te voeren.
BERS: Een standaard voor het structureren van data in Revit-modellen voor de Belgische markt. BERS helpt om informatie, parameters en modelafspraken eenduidig vast te leggen binnen Autodesk Revit. De afkorting BERS staat voor Belgische Revit Standards.
Beslisdocument: Een document waarin relevante informatie, afwegingen en adviezen worden vastgelegd, zodat de opdrachtgever een onderbouwd besluit kan nemen over het vervolg van een project of projectfase.
Beslispunt: Een vooraf bepaald moment in een project waarop de opdrachtgever besluit of het project of een projectfase wel of niet doorgaat.
Besluitvorming: Het proces waarin informatie wordt verzameld, afgewogen en omgezet in een besluit.
Bevoegdheid: Het recht of de toestemming om binnen afgesproken kaders te handelen, keuzes te maken of besluiten te nemen.
BIG BIM: Een manier om de BIM-werkmethodiek toe te passen in samenwerking met andere organisaties, disciplines en projectpartners in de bouwsector. Het doel van BIG BIM is om communicatie, coördinatie en informatie-uitwisseling tussen partijen te verbeteren, zodat het bouwproces en het uiteindelijke bouwwerk beter worden ondersteund. Zie ook little BIM.
Big data: Grote en complexe hoeveelheden data uit verschillende bronnen die moeilijk met gewone middelen te verwerken zijn. Big data kan worden gebruikt om patronen, trends en verbanden zichtbaar te maken.
BIM: Een werkmethodiek waarbij informatie over een bouwwerk digitaal wordt vastgelegd, beheerd, gedeeld en gebruikt. BIM ondersteunt samenwerking, activiteiten en besluitvorming gedurende de levenscyclus van een bouwwerk, van ontwerp en realisatie tot beheer, renovatie of sloop. De afkorting BIM wordt gebruikt voor Bouwwerk Informatie Modellering en in het Engels voor Building Information Modeling. Door de nadruk op beheer en uitwisseling van informatie wordt BIM ook steeds vaker verbonden aan Building Information Management.
BIM-coördinator: De persoon die binnen een project de BIM-afspraken, modelafstemming en informatie-uitwisseling coördineert. De BIM-coördinator bewaakt het BIM-uitvoeringsplan, organiseert modelcontroles en stemt met projectpartners af over BIM-modellen, issues, software, IFC, BCF en de afspraken uit het BIM-protocol en de ILS.
BIM-engineer: De persoon die technische ontwerpkennis, berekeningen en informatie vertaalt naar het BIM-model. De BIM-engineer werkt samen met de BIM-modelleur en zorgt dat technische keuzes en informatie inhoudelijk juist in het model worden verwerkt.
BIM-manager: De persoon die binnen een organisatie verantwoordelijk is voor het BIM-beleid, de BIM-implementatie en de doorontwikkeling van de BIM-werkwijze. De BIM-manager vertaalt BIM-eisen en klantvragen naar toepasbare processen, ondersteunt projecten bij BIM-gerelateerde vraagstukken en bewaakt de aansluiting tussen contract, projectpraktijk, organisatiedoelen en externe BIM-ontwikkelingen.
BIM-model: Een digitale representatie van de functionele en fysieke kenmerken van een bouwwerk. Een BIM-model bevat geometrie en informatie over onderdelen van het bouwwerk en ondersteunt activiteiten en besluitvorming gedurende de levenscyclus van het bouwwerk. Het BIM-model kan worden gedeeld met belanghebbenden in het bouwproces.
BIM-modelleur: De persoon die een BIM-model voor de eigen discipline opbouwt en voorziet van relevante informatie. De BIM-modelleur werkt ontwerp- en projectafspraken uit in het model en stemt dit af met andere disciplines.
BIM-protocol: Een contractstuk vanuit de opdrachtgever waarin de eisen, verwachtingen en afspraken tussen opdrachtgever en opdrachtnemer worden vastgelegd over het verwerken, beheren en delen van digitale informatie volgens de BIM-werkmethodiek.
BIM-uitvoeringsplan: Een projectdocument waarin projectpartners de BIM-gerelateerde samenwerkingsafspraken vastleggen en actueel houden. Het BIM-uitvoeringsplan beschrijft hoe in het project wordt voldaan aan het BIM-protocol, de ILS en de informatiebehoeften van de betrokken projectpartners.
Bouwkundige aannemer: De partij die verantwoordelijk is voor de uitvoering en vaak ook de coördinatie van bouwkundige werkzaamheden. De bouwkundige aannemer realiseert het bouwwerk volgens het ontwerp en de gemaakte afspraken.
Bouwwerk: Een gebouwd object dat door mensen is gemaakt en duurzaam met de plaats is verbonden. Een bouwwerk kan een gebouw zijn, maar ook bijvoorbeeld een brug, viaduct, tunnel of andere constructie.
Budget: Een vastgesteld of beschikbaar gesteld bedrag voor het realiseren van een project, projectresultaat of onderdeel daarvan.
Business case: De onderbouwing van de zakelijke rechtvaardiging van een investering, project of besluit. Een business case maakt inzichtelijk waarom iets waardevol, haalbaar en verantwoord is.
CDE: Een centrale digitale werkomgeving waarin projectinformatie, documenten, BIM-modellen en afspraken worden verzameld, beheerd, gedeeld en gecontroleerd. Een CDE ondersteunt het werken vanuit een centrale en betrouwbare bron van projectinformatie, zodat projectpartners met actuele en gecontroleerde informatie werken. De afkorting CDE staat voor Common Data Environment.
Clash: Een conflict of botsing tussen twee of meer objecten in een BIM-model. Een clash kan bijvoorbeeld ontstaan wanneer onderdelen elkaar overlappen of onvoldoende ruimte hebben.
Clash detection: Een methode om met BIM-software clashes in een BIM-model of tussen verschillende BIM-modellen op te sporen. Clash detection helpt om knelpunten vroegtijdig zichtbaar te maken, zodat deze vóór uitvoering kunnen worden besproken en opgelost.
Coach: Een persoon die individuen of teams begeleidt bij hun ontwikkeling, keuzes of leerproces. Een coach helpt door vragen te stellen, te spiegelen en bewustwording te vergroten.
Coachen: Een manier van begeleiden waarbij iemand wordt gestimuleerd om eigen inzichten, keuzes en oplossingen te ontwikkelen. Coachen richt zich op groei, bewustwording en het versterken van kennis, competenties en talenten.
Communicatie: Het uitwisselen van informatie tussen mensen of groepen, waarbij betekenis wordt gegeven aan wat wordt gezegd, geschreven of gedeeld. Goede communicatie helpt om verwachtingen, besluiten en samenwerking duidelijk te maken.
Communicatieplan: Een plan waarin per belanghebbende en per projectfase wordt uitgewerkt waarom, waarover, wanneer, hoe vaak en via welke kanalen wordt gecommuniceerd.
Competentie: De aantoonbare combinatie van kennis, vaardigheden, ervaring en houding die iemand inzet om een taak, rol of functie effectief uit te voeren.
Conflict: Een spanning tussen mensen of groepen doordat doelen, belangen, waarden, opvattingen, verwachtingen of gedragingen elkaar tegenwerken of uitsluiten.
Constructeur: De persoon of partij die verantwoordelijk is voor het ontwerpen, berekenen en beoordelen van de draagconstructie van een bouwwerk. De constructeur stemt het constructieve ontwerp af met de architect en andere betrokken disciplines.
Contract: Een schriftelijke of mondelinge overeenkomst tussen twee of meer partijen waarin afspraken, rechten en verplichtingen worden vastgelegd. Een contract wordt ook wel een overeenkomst genoemd.
Coördinator: De persoon die werkzaamheden, partijen en afspraken op elkaar afstemt om het proces goed te laten verlopen. In de bouwsector richt een coördinator zich vaak op de voortgang, afstemming en signalering van knelpunten tijdens de uitvoering.
Creativiteit: Het vermogen om op een originele manier te denken en te handelen. Creativiteit helpt om nieuwe invalshoeken, ideeën of oplossingen te vinden.
Curriculum vitae: Een overzicht van personalia, opleidingen, cursussen, werkervaring en andere informatie die van belang kan zijn bij een sollicitatie. De Latijnse term curriculum vitae betekent letterlijk ‘levensloop’ en wordt vaak afgekort als cv.
Data: Ruwe gegevens die een feit, waarneming of waarde vastleggen, zoals een datum, naam, getal of meetwaarde. Data kunnen worden opgeslagen, verwerkt, gecombineerd en geanalyseerd. Een verzameling van data wordt een dataset genoemd.
Data drop: Een afgesproken moment waarop BIM-modellen, documenten en andere relevante informatie worden gedeeld of opgeleverd. Een data drop vindt plaats volgens vooraf bepaalde afspraken, zoals de ILS, het gewenste formaat, de benodigde inhoud en het doel van de levering.
Delegeren: Het overdragen van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheid aan een ander, zodat die persoon de taak zelfstandig kan uitvoeren binnen afgesproken kaders.
Derden: Externe partijen die geen onderdeel zijn van de projectorganisatie, maar wel producten, diensten of werkzaamheden leveren die invloed kunnen hebben op het project.
Discipline: Een vakgebied of specialisme binnen een project, zoals bouwkunde, constructie of installatietechniek. Elke discipline werkt aan een eigen deel van het ontwerp, model of de uitvoering en stemt dit af met andere disciplines.
DMS: Een softwareoplossing waarmee organisaties documenten centraal kunnen beheren, vinden, delen en controleren. Een DMS helpt om documenten gestructureerd op te slaan, te voorzien van metadata en via afspraken of workflows te beheren. De afkorting DMS staat voor documentmanagementsysteem.
Document: Vastgelegde informatie die kan worden bewaard, gedeeld, geraadpleegd of gebruikt als onderbouwing van afspraken, besluiten, eisen of resultaten.
Documentatie: Het proces of resultaat van het vastleggen, ordenen en beschikbaar maken van informatie over een onderwerp, project, systeem of besluit.
Draagvlak: De mate waarin belanghebbenden een onderwerp, besluit, verandering of project ondersteunen en bereid zijn hieraan mee te werken.
Duivelsdriehoek: Een model binnen projectmatig werken dat de samenhang laat zien tussen geld, tijd en kwaliteit. Een verandering in een van deze beheersaspecten heeft vaak invloed op de andere aspecten. Zie ook ijzeren vierkant.
Efficiëntie: De verhouding tussen het behaalde resultaat en de gebruikte middelen, zoals tijd, geld, capaciteit of materiaal. Efficiënt werken betekent dat het gewenste resultaat wordt bereikt met zo min mogelijk verspilling.
Eis: Een vastgelegde behoefte, verwachting of voorwaarde waaraan een product, dienst, proces of resultaat moet voldoen.
Faalkosten: Kosten die ontstaan door fouten, herstelwerk, vertraging of extra inzet die voorkomen hadden kunnen worden. In de bouwsector ontstaan faalkosten vaak door gebrekkige afstemming, onduidelijke informatie of tekortkomingen in het proces.
Feedback: Terugkoppeling over iemands gedrag, prestaties of resultaat, bedoeld om te leren, te verbeteren of gewenst gedrag te behouden. Feedback kan bevestigend, corrigerend of ontwikkelgericht zijn.
Gantt-chart: Een visueel hulpmiddel om de planning van taken en activiteiten in een project weer te geven. In een Gantt-chart worden de startdatum, duur, volgorde en einddatum van activiteiten zichtbaar gemaakt. Een Gantt-chart wordt ook wel Gantt-diagram genoemd.
Gebouw: Een voor mensen toegankelijke, overdekte en geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte. Een gebouw is een specifieke vorm van een bouwwerk.
Gebruiker: De persoon of groep die het projectresultaat gebruikt, beheert, onderhoudt of er op een andere manier mee te maken krijgt.
Gesloten BIM: Een manier van samenwerken waarbij betrokken partijen werken binnen hetzelfde softwareplatform of met dezelfde native-bestandsformaten. Gesloten BIM kan de interne afstemming vereenvoudigen, maar maakt de samenwerking ook afhankelijker van specifieke software en gemaakte platformafspraken. Gesloten BIM wordt ook wel platformspecifiek BIM genoemd.
Gesloten standaard: Een standaard of bestandsformaat dat afhankelijk is van een specifiek platform, leverancier of softwarepakket. Het gebruik, openen of uitwisselen van dit formaat is daardoor beperkt tot dezelfde software of dezelfde softwareomgeving.
Gesprek: Een mondelinge uitwisseling van informatie tussen twee of meer personen. Een gesprek kan gericht zijn op afstemming, beeldvorming, besluitvorming, samenwerking of ontwikkeling.
GOTIK: Een hulpmiddel binnen projectmatig werken om een project te sturen en te beheersen op vijf beheersaspecten: Geld, Organisatie, Tijd, Informatie en Kwaliteit. De eerste letters van deze beheersaspecten vormen samen de afkorting GOTIK.
-
IFC: Een open standaard voor het uitwisselen en delen van BIM-modellen tussen verschillende softwareapplicaties. IFC beschrijft geometrie, objecten en bijbehorende informatie van een bouwwerk, zodat modelinformatie op een betrouwbare en consistente manier kan worden overgedragen. De afkorting IFC staat voor Industry Foundation Classes.
IJzeren vierkant: Een model binnen projectmatig werken dat de samenhang laat zien tussen geld, tijd, kwaliteit en scope. Een verandering in een van deze beheersaspecten heeft vaak invloed op de andere aspecten. Zie ook duivelsdriehoek.
ILS: Een contractstuk of contractbijlage vanuit de opdrachtgever waarin wordt vastgelegd welke BIM-data en informatie op welke momenten, in welke structuur en in welk formaat moeten worden geleverd. De ILS ondersteunt besluitvorming tijdens de levenscyclus van het bouwwerk en het latere gebruik, beheer en onderhoud. De afkorting ILS staat voor Informatieleveringsspecificatie.
Industriële revolutie: Een periode van grote technologische, economische en maatschappelijke veranderingen in productie, werk en samenwerking. Deze ontwikkeling wordt vaak beschreven in fasen, van mechanisatie en massaproductie tot automatisering en slimme, verbonden productie.
Industrie 1.0: De eerste industriële revolutie, waarin delen van het handmatige productieproces werden gemechaniseerd met waterkracht en later stoomkracht.
Industrie 2.0: De tweede industriële revolutie, waarin elektriciteit, staalproductie, chemie, telecommunicatie en productielijnen massaproductie op grotere schaal mogelijk maakten.
Industrie 3.0: De derde industriële revolutie, waarin elektronica, computers en programmeerbare besturingen een steeds grotere rol kregen in productieprocessen.
Industrie 4.0: De vierde industriële revolutie, waarin machines, sensoren, software en informatiesystemen met elkaar worden verbonden. Technologieën zoals Internet of Things (IoT), cloudtoepassingen, big data en kunstmatige intelligentie (AI) ondersteunen realtime inzicht, besluitvorming en procesoptimalisatie.
Industrie 5.0: Een aanvulling op Industrie 4.0 waarbij technologie en automatisering niet alleen worden ingezet voor efficiëntie, maar ook voor menselijke behoeften, duurzaamheid en weerbaarheid.
Informatie: Gegevens die in een bepaalde context betekenis krijgen voor een ontvanger. Informatie helpt om een situatie te begrijpen, een keuze te maken of een besluit te onderbouwen.
Innovatie: Het ontwikkelen of toepassen van nieuwe of verbeterde ideeën, producten, diensten, processen of werkwijzen die waarde toevoegen voor een organisatie, gebruiker of klant.
Installateur: De persoon of partij die verantwoordelijk is voor het ontwerpen, realiseren en onderhouden van technische installaties in een bouwwerk. Een installatiebedrijf kan meerdere disciplines in huis hebben, zoals elektrotechniek, werktuigbouwkunde of regeltechniek.
Internet of Things (IoT): Een netwerk van fysieke objecten, apparaten of sensoren die via internet data verzamelen en uitwisselen. IoT maakt het mogelijk om objecten, installaties of processen op afstand te monitoren, aan te sturen of te optimaliseren.
Invloed: De mate waarin iemand of iets effect heeft op gedrag, keuzes, besluiten of resultaten van anderen, van een project of van een organisatie.
IPMA: Een internationale organisatie voor project-, programma- en portfoliomanagement. IPMA ontwikkelt standaarden en certificeringen voor professionals die werkzaam zijn in projectmanagement. De afkorting IPMA staat voor International Project Management Association.
ISO 21500: Een internationale ISO-richtlijn voor de context en begrippen rond project-, programma- en portfoliomanagement. Sinds de herziening is ISO 21500 vooral gericht op algemene uitgangspunten en samenhang tussen deze vakgebieden. De specifieke richtlijn voor projectmanagement is ondergebracht in ISO 21502. De afkorting ISO staat voor International Organization for Standardization.
Issue: Een actueel aandachtspunt, probleem of knelpunt met relevante impact op een project. In tegenstelling tot een risico is een issue al aan de orde en vraagt het om opvolging.
-
Kaizen: Een verbeterfilosofie gericht op het continu verbeteren van processen, producten of diensten in kleine, gerichte stappen. Kaizen legt de nadruk op klantwaarde, het verminderen van verspilling en het betrekken van medewerkers bij verbeteringen. Kaizen is Japans voor ‘continue verbetering’.
Kanban: Een visuele werkmethode om werk, taken of activiteiten overzichtelijk te maken en de voortgang te bewaken. Een Kanban-bord wordt meestal verdeeld in kolommen, zoals ‘to do’, ‘doing’ en ‘done’. Kanban helpt teams om werk te organiseren, knelpunten zichtbaar te maken en de doorstroming te verbeteren.
Kans: Een onzekere gebeurtenis of omstandigheid die zich in de toekomst kan voordoen en een positief effect kan hebben op een project.
Kick-off: Een bijeenkomst bij de start van een project of projectfase waarin betrokkenen worden meegenomen in het doel, de aanpak, afspraken en verwachtingen. Een kick-off helpt om de uitvoering van het project of de projectfase effectief en efficiënt te starten.
Klant: De persoon of organisatie die een product, dienst of projectresultaat ontvangt of afneemt. In een project kan de klant dezelfde partij zijn als de opdrachtgever, maar dat hoeft niet altijd.
Kritiek pad: De reeks van onderling afhankelijke activiteiten in een planning die de totale projectduur bepaalt. Het kritieke pad is de in tijdsduur langste route door de planning en geeft de minimale doorlooptijd van het project weer. Vertraging in een activiteit op dit pad leidt direct tot vertraging van het hele project, tenzij de planning wordt aangepast.
Kunstmatige intelligentie (AI): Technologie waarbij computersystemen taken uitvoeren die normaal gesproken menselijke intelligentie vereisen, zoals analyseren, voorspellen, genereren of ondersteunen bij besluitvorming. De afkorting AI staat voor Artificial Intelligence.
Kwaliteit: De mate waarin een product, dienst, proces of resultaat voldoet aan gestelde eisen, verwachtingen en het beoogde gebruik.
Lean: Een verbeterfilosofie die erop gericht is maximale waarde voor de klant te realiseren met zo min mogelijk verspilling. Lean helpt organisaties om processen continu te verbeteren door verspillingen zichtbaar te maken en weg te nemen.
Leiderschap: Het vermogen om richting te geven, invloed uit te oefenen en mensen in beweging te brengen op basis van visie, vertrouwen en voorbeeldgedrag.
Leverancier: De persoon of organisatie die een product of dienst levert aan een klant, opdrachtgever of project.
little BIM: Een manier om de BIM-werkmethodiek toe te passen binnen de eigen organisatie of disciplines. Het doel van little BIM is om interne processen te verbeteren, bijvoorbeeld door fouten en faalkosten te verminderen, communicatie te versterken en efficiënter te werken. Zie ook BIG BIM.
Macht: De formele of informele mogelijkheid die iemand heeft om het handelen, de keuzes of de ruimte van anderen te sturen, te beperken of te verruimen.
Makigami: Een werkmethodiek om processen visueel in kaart te brengen, vooral wanneer het product, de dienst of de informatiestroom niet direct zichtbaar is. Makigami betekent letterlijk ‘rol papier’ en wordt gebruikt om verspillingen, wachttijden, overdrachtsmomenten en verbetermogelijkheden zichtbaar te maken.
Management: Het sturen, organiseren en beheersen van mensen, middelen, processen en afspraken om beoogde doelen en resultaten te bereiken.
Mandateren: Het toekennen van bevoegdheden aan een ander om binnen afgesproken kaders namens de mandaatgever te handelen of besluiten te nemen. De eindverantwoordelijkheid blijft bij de mandaatgever.
Marge: De ruimte of bandbreedte die in een raming wordt opgenomen om rekening te houden met onzekerheden, aannames of onnauwkeurigheden.
Meerwerk: Werkzaamheden die aanvullend op of buiten de overeengekomen scope, het contract of de offerte worden uitgevoerd en meestal leiden tot extra kosten, tijd of afstemming.
Metadata: Gegevens die andere data beschrijven. Metadata geven informatie over eigenschappen, herkomst, structuur en betekenis van data. Hierdoor kunnen data beter worden geclassificeerd, georganiseerd, gevonden en geïnterpreteerd.
Mijlpaal: Een belangrijk moment of belangrijke gebeurtenis in een project waarmee de voortgang, afronding van een fase of oplevering van een resultaat wordt gemarkeerd.
Minderwerk: Werkzaamheden die wel binnen de overeengekomen scope, het contract of de offerte zijn opgenomen, maar uiteindelijk niet of minder worden uitgevoerd.
Native-bestandsformaat: Een bestandsformaat dat afhankelijk is van een specifiek platform of specifieke software. Het wordt gebruikt om bestanden binnen die software te maken, te bewerken en op te slaan.
NLRS: Een aanbevolen standaard voor het structureren van data in Revit-modellen voor de Nederlandse markt. NLRS helpt om informatie, parameters en modelafspraken eenduidig vast te leggen binnen Autodesk Revit. De afkorting NLRS staat voor Nederlandse Revit Standards.
Nota van inlichtingen: Een officieel onderdeel van de aanbesteding waarin de opdrachtgever vragen van inschrijvers beantwoordt en eventuele verduidelijkingen, wijzigingen of aanvullingen vastlegt. De nota van inlichtingen is bindend voor de verdere aanbestedingsprocedure, tenzij anders is aangegeven.
Notulen: Een schriftelijk verslag van wat tijdens een vergadering is besproken, besloten en afgesproken. Notulen helpen om besluiten, actiepunten en verantwoordelijkheden vast te leggen.
Offerte: Een formeel aanbod waarin een aanbiedende partij beschrijft welke producten, diensten of werkzaamheden worden geleverd of uitgevoerd, onder welke voorwaarden, tegen welke kosten en binnen welke scope. Na acceptatie kan een offerte onderdeel worden van de overeenkomst.
Onderhandelen: Een communicatieproces waarbij twee of meer partijen met verschillende belangen en posities proberen tot overeenstemming te komen.
Opdrachtgever: De persoon of organisatie die een opdracht verstrekt en verantwoordelijk is voor de kaders, besluitvorming en acceptatie van het op te leveren resultaat.
Opdrachtnemer: De persoon of organisatie die een opdracht aanneemt en uitvoert volgens de afspraken in de overeenkomst.
Open BIM: Een manier van samenwerken waarbij betrokken partijen informatie uitwisselen via open standaarden, zoals BCF en IFC. Open BIM maakt het mogelijk om BIM-modellen en bijbehorende informatie tussen verschillende softwareprogramma’s te delen zonder afhankelijk te zijn van een specifiek softwareplatform. Open BIM is gericht op platformonafhankelijke samenwerking en vermindert de afhankelijkheid van specifieke software en platformafspraken.
Open standaard: Een standaard of bestandsformaat waarvan de specificaties publiek beschikbaar zijn en door verschillende partijen kunnen worden toegepast. Het gebruik, openen of uitwisselen van dit formaat is daardoor minder afhankelijk van een specifiek platform, een leverancier of een softwarepakket.
Oplevering: Het formele moment waarop het projectresultaat wordt beoordeeld, geaccepteerd en overgedragen aan de opdrachtgever.
Opzichter: De persoon die toezicht houdt op de uitvoering van werkzaamheden op de bouwplaats en controleert of deze volgens afspraken, tekeningen, eisen en planning worden uitgevoerd.
Organigram: Een schematische weergave van de organisatiestructuur van een project of organisatie. Een organigram laat rollen, functies, hiërarchie en onderlinge verhoudingen zien.
Organisatie: Een samenwerkingsverband van mensen, middelen, processen en afspraken dat is ingericht om gezamenlijke doelen of resultaten te bereiken. De werking van een organisatie wordt mede bepaald door structuur, cultuur, leiderschap, samenwerking en de manier waarop besluiten worden genomen.
Overeenkomst: Een schriftelijke of mondelinge afspraak tussen twee of meer partijen waarin afspraken, rechten en verplichtingen worden vastgelegd.
Parameter: Een eigenschap, waarde of variabele waarmee informatie over een object, model, proces of systeem wordt vastgelegd. In Autodesk Revit worden parameters bijvoorbeeld gebruikt om objectinformatie, afmetingen, materialen, prestaties of classificaties te beschrijven.
Personalia: Persoonlijke gegevens waarmee een persoon kan worden geïdentificeerd of bereikt, zoals naam, adres, woonplaats, telefoonnummer en e-mailadres. In een curriculum vitae worden personalia meestal bovenaan opgenomen.
Persoonlijk ontwikkelplan: Een document waarin iemand ontwikkeldoelen, leeractiviteiten en afspraken vastlegt om kennis, vaardigheden of competenties gericht te versterken. Een persoonlijk ontwikkelplan helpt om persoonlijke ontwikkeling bespreekbaar, planmatig en meetbaar te maken. Persoonlijk ontwikkelplan wordt vaak afgekort als POP.
Plannen: Het bepalen van activiteiten, volgorde, doorlooptijd en benodigde middelen om een doel of resultaat binnen een bepaalde tijd te bereiken.
Planning: Een schema waarin activiteiten, mijlpalen en gebeurtenissen in de tijd zijn geplaatst. Een planning maakt zichtbaar wanneer werkzaamheden starten, hoe lang ze duren en wanneer resultaten worden verwacht.
PMBOK: Een door PMI uitgegeven kennisbasis en gids voor projectmanagement. De gids beschrijft begrippen, principes en werkwijzen die wereldwijd worden gebruikt binnen professioneel projectmanagement. De afkorting PMBOK staat voor Project Management Body of Knowledge.
Post onvoorzien: Een budgetpost in een raming voor bekende onzekerheden en risico's binnen de vastgestelde scope waarvan het optreden, de omvang of de financiële impact nog niet precies bekend is. De post onvoorzien is niet bedoeld voor scope-uitbreidingen.
Presentatie: Een mondelinge overdracht van informatie aan een groep toehoorders, meestal ondersteund met visuele middelen. Een presentatie helpt om kennis, inzichten, plannen of resultaten duidelijk over te brengen.
PRINCE2: Een projectmanagementmethode gericht op het management, de besturing en de organisatie van een project. PRINCE2 helpt om projecten gestructureerd te starten, te beheersen en af te sluiten. De afkorting PRINCE staat voor PRojects IN Controlled Environments en de 2 verwijst naar de herziene tweede editie van de methode.
Programma van eisen: Een document waarin de eisen en wensen van de opdrachtgever voor het te realiseren projectresultaat zijn vastgelegd. Het programma van eisen vormt een belangrijke basis voor ontwerp, besluitvorming, validatie en verificatie. Programma van eisen wordt vaak afgekort als PvE.
Project: Een geheel van activiteiten dat binnen een tijdelijke organisatie en gestelde randvoorwaarden wordt uitgevoerd om een vooraf gedefinieerd resultaat te bereiken.
Projectaanpak: De manier waarop de resultaten van een project op hoofdlijnen worden gerealiseerd.
Projectbeheersing: Het geheel van activiteiten waarmee de uitvoering van een project wordt gestuurd, bewaakt en bijgestuurd om het project beheersbaar te laten verlopen.
Projectdeadline: De uiterste datum waarop een project, projectfase of afgesproken resultaat voltooid moet zijn.
Projectdoel: Het effect dat de opdrachtgever met het project en de op te leveren resultaten wil bereiken.
Projectdossier: Een verzameling van documenten, informatie, afspraken en besluiten die tijdens een project worden vastgelegd en beheerd. Het projectdossier ondersteunt verantwoording, overdracht en terugvindbaarheid van projectinformatie.
Projectfase: Een afgebakende periode binnen een project met een eigen doel, activiteiten en meestal een vooraf gedefinieerd deelresultaat of beslispunt.
Projectleider: De persoon die verantwoordelijk is voor de dagelijkse leiding, afstemming en sturing van een project. Een projectleider wordt ook wel projectmanager genoemd.
Projectlevenscyclus: De opeenvolgende fasen die een project doorloopt vanaf de projectopdracht tot en met de afsluiting.
Projectmanagement: Het organiseren, sturen en beheersen van een project om het beoogde resultaat binnen gestelde randvoorwaarden te bereiken.
Projectmanagementsucces: De mate waarin het management van een project door relevante belanghebbenden als succesvol wordt beoordeeld.
Projectmatig werken: Een werkmethode waarbij een tijdelijk vraagstuk of resultaat als project wordt georganiseerd en gestructureerd en planmatig wordt uitgevoerd. Projectmatig werken wordt vaak afgekort als PMW.
Projectopdracht: De formele opdracht van de opdrachtgever aan de projectleider of projectorganisatie om een project binnen afgesproken kaders uit te voeren. In de projectopdracht worden onder andere het doel, het resultaat, de scope, de randvoorwaarden en de verantwoordelijkheden vastgelegd.
Projectorganisatie: De tijdelijke organisatie die wordt ingericht om een project te realiseren. Binnen de projectorganisatie worden rollen, taken, verantwoordelijkheden en besluitvorming vastgelegd.
Projectplan: Een document waarin wordt vastgelegd hoe een project wordt uitgevoerd en beheerst. Het projectplan beschrijft onder andere het doel, het resultaat, de scope, de planning, de organisatie, de rollen, de afspraken en de randvoorwaarden.
Projectresultaat: Het product, de dienst of het andere concrete resultaat dat met een project wordt opgeleverd.
Projectstartup: Een gestructureerde bijeenkomst aan het begin van een project of projectfase waarin betrokkenen gezamenlijk de uitgangspunten, doelen, resultaten, aanpak, rollen, risico's en afspraken scherpstellen. Projectstartup wordt vaak afgekort als PSU.
Projectsucces: De mate waarin het opgeleverde projectresultaat overeenkomt met het beoogde resultaat en voldoet aan de gestelde eisen, overeengekomen randvoorwaarden en verwachtingen van relevante belanghebbenden.
Projectteam: De projectleider en de projectmedewerkers die samenwerken aan de uitvoering en realisatie van het project.
-
Raming: Een onderbouwde inschatting van de verwachte kosten, hoeveelheden, tijd of inzet die nodig zijn voor een project, product of activiteit. Een raming wordt opgesteld op basis van beschikbare informatie, uitgangspunten en aannames.
Randvoorwaarde: Een vooraf vastgelegde voorwaarde of beperking waarbinnen een project moet worden uitgevoerd. Randvoorwaarden kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op budget, planning, kwaliteit, wetgeving, capaciteit of beschikbare middelen.
Rapport: Een document waarin informatie, bevindingen, analyses, conclusies of adviezen schriftelijk en gestructureerd worden vastgelegd.
Rapporteren: Het mondeling of schriftelijk delen van informatie, voortgang, bevindingen of resultaten met betrokkenen.
Referentie: Een persoon of bron die in een sollicitatie- of selectieprocedure informatie kan geven over de ervaring, houding, vaardigheden of geschiktheid van een kandidaat.
Risico: Een onzekere gebeurtenis of omstandigheid die zich in de toekomst kan voordoen en een negatief effect kan hebben op een project.
Risicomanagement: Het identificeren, beoordelen, beheersen en bewaken van risico’s. Daarbij worden maatregelen bepaald en gevolgd om negatieve effecten op een project, organisatie of resultaat te voorkomen of te beperken.
RS: Een standaard voor het structureren van data in Revit-modellen. RS vormt de basis voor landspecifieke standaarden, zoals BERS en NLRS, en helpt om informatie, parameters en modelafspraken eenduidig vast te leggen binnen Autodesk Revit. De afkorting RS staat voor Revit Standards.
Scope: Het totaal van op te leveren producten, diensten en uit te voeren activiteiten binnen een project. De scope maakt duidelijk wat wel en niet binnen het project valt. Zie ook afbakening.
Scope creep: De geleidelijke uitbreiding van de scope zonder dat hierover opnieuw afspraken worden gemaakt of formele goedkeuring wordt gegeven. Scope creep kan leiden tot extra kosten, vertraging of onduidelijkheid over het projectresultaat.
Scrum: Een Agile-raamwerk waarmee teams in korte cycli, ‘sprints’ genoemd, stapsgewijs waarde leveren en hun werkwijze verbeteren. Het Scrum-team bestaat uit een ‘Product Owner’, ‘Scrum Master’ en ‘Developers’. Aan het einde van iedere sprint levert het team een bruikbaar tussenresultaat op.
Situationeel leiderschap: Een vorm van leiderschap waarbij de stijl van leidinggeven wordt afgestemd op de mate van bereidwilligheid en vakbekwaamheid van medewerkers in concrete situaties.
Sollicitatie: Het proces waarin een kandidaat reageert op een functie of opdracht en wordt beoordeeld op geschiktheid. Bij een sollicitatie kunnen onder andere een curriculum vitae, een motivatie, een assessment of een referentie worden gebruikt.
Specificatie: Een nauwkeurige beschrijving van eigenschappen, eisen, prestaties of voorwaarden waaraan een product, dienst, onderdeel of resultaat moet voldoen.
Sprint: Een korte, vaste periode binnen Scrum waarin een team werkt aan een afgesproken doel en geselecteerde werkzaamheden. Aan het einde van de sprint levert het team een bruikbaar tussenresultaat op. Een sprint duurt meestal maximaal een maand en helpt om voortgang, keuzes en verbeteringen regelmatig te bespreken.
Stakeholder: Een persoon of groep die belang heeft bij, invloed heeft op of invloed ondervindt van een organisatie, project, besluit of resultaat. Een stakeholder wordt ook wel belanghebbende genoemd.
Stakeholdermanagement: Het gericht omgaan met de belangen, verwachtingen en invloed van stakeholders bij een project of organisatie. Stakeholdermanagement helpt om betrokkenen tijdig te informeren, te betrekken en waar nodig mee te nemen in besluitvorming.
Staande organisatie: De lijnorganisatie waarin reguliere taken, verantwoordelijkheden en hiërarchische aansturing zijn belegd. Een project wordt vaak tijdelijk naast of binnen de staande organisatie ingericht.
Stuurgroep: Een groep personen die binnen een project richting geeft, de voortgang bewaakt en besluiten voorbereidt of neemt binnen afgesproken bevoegdheden. De stuurgroep ondersteunt de opdrachtgever bij sturing, draagvlak en besluitvorming.
Talent: Een natuurlijke aanleg of sterk ontwikkelbaar vermogen dat iemand helpt om bepaalde taken, rollen of situaties goed uit te voeren. Talent komt vooral tot waarde wanneer het bewust wordt herkend, ontwikkeld en ingezet.
Team: Een groep mensen die samenwerkt aan een gemeenschappelijk doel of resultaat. Binnen een team zijn de werkzaamheden, verantwoordelijkheden en onderlinge samenwerking op elkaar afgestemd.
Tekenaar: De persoon die technische tekeningen maakt voor ontwerp, uitvoering of beheer. In de bouwsector werkt een tekenaar vaak op basis van input van bijvoorbeeld een architect, bouwkundige aannemer of installateur.
Timeboxing: Een techniek waarbij vooraf een vaste tijdslimiet wordt bepaald voor een taak, activiteit of overleg. Wanneer de afgesproken tijd voorbij is, stopt de activiteit en wordt bepaald wat met het bereikte resultaat gebeurt.
Timemanagement: Het plannen, organiseren en bewaken van tijd om taken, afspraken en doelen effectief uit te voeren.
Typical: Een representatieve uitwerking van een herhalend onderdeel van een bouwwerk, waarin ontwerp, techniek, maakbaarheid en uitvoerbaarheid integraal worden afgestemd en getoetst. Een typical helpt om keuzes, knelpunten en issues vroegtijdig zichtbaar te maken, zodat vergelijkbare onderdelen later eenduidig kunnen worden uitgewerkt of herhaald.
Uitbesteden: Het laten uitvoeren van werkzaamheden, taken of diensten door derden. Bij uitbesteden blijft de uitbestedende organisatie verantwoordelijk voor de gemaakte afspraken, aansturing en beoordeling van het geleverde resultaat.
Vakbekwaamheid: De mate waarin iemand kennis, vaardigheden en ervaring aantoonbaar inzet om een taak goed uit te voeren.
Validatie: De bevestiging dat het resultaat voldoet aan de behoefte van de klant, gebruiker of andere belanghebbende en geschikt is voor het beoogde gebruik.
Veiligheid: De mate waarin personen, omgeving, objecten of werkzaamheden worden beschermd tegen schade, letsel of ongewenste gebeurtenissen.
Vergadercultuur: De ongeschreven regels, gewoonten en patronen rondom overleg en vergaderingen binnen een organisatie of team. Een vergadercultuur beïnvloedt hoe vaak mensen vergaderen, hoe bijeenkomsten worden voorbereid, hoe besluitvorming plaatsvindt en hoe afspraken worden opgevolgd.
Vergaderen: Het gestructureerd overleggen met twee of meer personen binnen een bepaalde tijdspanne over vooraf bepaalde onderwerpen. Vergaderen kan gericht zijn op beeldvorming, afstemming, besluitvorming of het maken van afspraken.
Vergadering: Een bijeenkomst waarin twee of meer personen met elkaar overleggen over onderwerpen, doelen, besluiten of afspraken.
Verificatie: De bevestiging dat het resultaat voldoet aan vooraf vastgelegde eisen, specificaties of afspraken.
Verslag: Een schriftelijke weergave van gebeurtenissen, observaties, bevindingen, afspraken of besluiten over een bepaalde periode, activiteit of bijeenkomst.
Vertraging: Een situatie waarin een activiteit, fase of project meer tijd vraagt dan in de vastgestelde planning is voorzien. Hierdoor wordt het werk later afgerond of ontstaat de verwachting dat de geplande eindtijd wordt overschreden.
Virtueel bouwen: Een werkwijze waarbij een bouwwerk eerst digitaal wordt uitgewerkt, afgestemd en getoetst voordat de werkelijke uitvoering plaatsvindt. Binnen de BIM-werkmethodiek wordt het digitale model verrijkt met informatie, zodat ontwerpkeuzes, raakvlakken en uitvoeringsrisico’s eerder zichtbaar worden.
VSM: Een werkmethodiek om de stroom van goederen, diensten en informatie binnen een proces zichtbaar te maken en te verbeteren. VSM helpt om verspillingen, wachttijden en knelpunten te herkennen. De afkorting VSM staat voor Value Stream Mapping.
Wanprestatie: Een tekortkoming in de nakoming van een overeenkomst die aan een van de partijen kan worden toegerekend.
Weerstand: Zichtbaar of minder zichtbaar verzet tegen een besluit, werkwijze, visie, overtuiging of beoogde verandering.
Werk van derden: Werkzaamheden die binnen of rondom een project worden uitgevoerd door externe partijen die geen onderdeel zijn van de projectorganisatie. Werk van derden kan invloed hebben op de planning, afstemming, uitvoering of oplevering van het project.
Werkdecompositiestructuur: Een hiërarchische opdeling van het totale werk van een project in kleinere, beheersbare onderdelen of werkpakketten. Een werkdecompositiestructuur helpt om werkzaamheden te structureren, verantwoordelijkheden te verdelen en de voortgang van het project te bewaken. Werkdecompositiestructuur wordt vaak afgekort als WBS.
Werkpakket: Een afgebakend geheel van samenhangende werkzaamheden dat nodig is om een deel van het projectresultaat te realiseren.
Werkvoorbereider: De persoon die de uitvoering van een project technisch, organisatorisch en administratief voorbereidt. Een werkvoorbereider houdt zich bijvoorbeeld bezig met planning, werkmethoden, tekeningen, materiaal, materieel en afstemming met uitvoering en projectleiding. Een werkvoorbereider kan werkzaam zijn bij bijvoorbeeld een bouwkundige aannemer of installateur.
Wijziging: Een aanpassing van een eerder vastgelegde afspraak, eis, scope, planning, budget of resultaat binnen een project.
Wijzigingsbeheer: Het vastleggen, beoordelen, afstemmen, goedkeuren en bewaken van wijzigingen binnen een project.
Workflow: Een reeks samenhangende taken, acties en informatiestromen die nodig zijn om een proces uit te voeren. Een workflow kan bestaan uit menselijke en geautomatiseerde handelingen en helpt om werk binnen een organisatie gestructureerd te laten verlopen.
Wvttk: Een onderdeel van de agenda van een vergadering waarin onderwerpen worden besproken die niet eerder als apart agendapunt zijn opgenomen. De afkorting Wvttk staat voor ‘wat verder ter tafel komt’.
-
-
-